Met heel veel dank aan de Parkieten Sociëteit
Uitspraak van de Voorzieningenrechter in de zaak kraagpapegaaien toegelicht Mw. Mr. E. (Erna) Philippi-Gho
In de uitspraak van 8 december 2025[1], over de inbeslagname van twee kraagpapegaaien (Deroptyus accipitrinus), heeft de voorzieningenrechter zich uitgesproken over de vraag welke eisen de CITES-regelgeving stelt aan het aantonen van de legale herkomst van Bijlage B-vogels. De uitspraak is juridisch niet vernieuwend, maar wel illustratief voor een hardnekkig misverstand in de praktijk: de veronderstelling dat bij oudere vogels, of bij soorten die in het verleden in grote aantallen legaal zijn ingevoerd, kan worden volstaan met vermoedens, overdrachtsverklaringen of algemene verwijzingen naar handelsstromen.
De verzoeker stelde dat hij de legale herkomst van de vogels voldoende had aangetoond met een overdrachtsverklaring waarin de identificatienummers van beide dieren waren opgenomen, in combinatie met een open knijpring bij de pop en een microchiptransponder bij de man. Daarnaast verwees hij naar gegevens uit de CITES Trade Database, waaruit blijkt dat de kraagpapegaai in de periode van de jaren negentig tot begin jaren tweeduizend in aanzienlijke aantallen legaal in Nederland is ingevoerd. Volgens verzoeker was het daarom aannemelijk dat zijn vogels óf uit legale import afkomstig waren, óf afstamden van rechtmatig ingevoerde ouderdieren. Daarbij voerde verzoeker aan dat de vogels ver voor de inwerkingtreding van de huidige wet- en regelgeving waren verkregen. Ook voerde hij aan dat overdrachtsverklaringen jarenlang door toezichthouders zijn geaccepteerd als bewijs van legale herkomst en dat het thans verlangen van verdergaande documentatie neerkomt op een verzwaring van de bewijslast.
De staatssecretaris voerde aan dat het microchiptranspondernummer van het mannelijke dier en het nummer van de knijpring van het vrouwelijke dier geen aanknopingspunten bieden voor het vaststellen van de legale herkomst en kweekstatus van het koppel kraagpapegaaien. Om die reden is tot handhaving overgegaan. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris verzoeker gelast om vóór 15 oktober 2025 de legale herkomst van beide vogels aan te tonen.
De voorzieningenrechter volgt de redenering van verzoeker niet en bepaalt dat uit de door verzoeker overgelegde gegevens de kweekstatus van de vogels niet kan worden afgeleid. Verzoeker heeft geen informatie over de kweker kunnen verschaffen en ook ontbreekt documentatie waaruit blijkt dat de vogels of de ouderdieren legaal zijn ingevoerd in de Europese Unie. Verder heeft verzoeker zijn standpunt dat een overdrachtsverklaring voorheen voldoende was om de legale herkomst aan te tonen niet aannemelijk gemaakt. Dit is door de staatssecretaris ook betwist. Ten tijde van de aankoop van de kraagpapegaaien door verzoeker golden de verplichtingen uit de CITES-basisverordening ook al.
Hierbij past de rechter geen nieuw of aangescherpt criterium toe, maar het bestaande wettelijke kader zoals dat al decennialang geldt. Het verbod op commerciële handelingen met Bijlage B-specimens en de uitzondering daarop indien de legale herkomst is aangetoond, is neergelegd in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 338/97 en is derhalve al sinds 3 maart 1997 van toepassing. Steeds geldt dat het aan de houder is om ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan te tonen dat een vogel overeenkomstig de CITES-regelgeving is verkregen en, indien het niet uit de Unie afkomstig is, rechtmatig is binnengebracht.
Hetzelfde geldt voor het begrip “in gevangenschap gefokt en geboren”. Het huidige artikel 54 van de Uitvoeringsverordening (EG) nr. 865/2006 is de voortzetting van artikel 24 van de eerdere Uitvoeringsverordening (EG) nr. 939/97. Reeds sinds 1997 is vastgelegd dat alleen dan sprake kan zijn van fok in gevangenschap, indien het fokbestand zelf rechtmatig is gevormd uit vogels die overeenkomstig de CITES-bepalingen zijn verkregen. Ook hier is geen sprake van een latere normverzwaring, maar van een al lang bestaande eis.
Sinds 1997 geldt dus al op grond van de CITES Basis- en uitvoeringsverordening voor Bijlage B-vogels dat de houder dient aan te tonen dat zij ofwel met de vereiste vergunningen zijn ingevoerd in de EU of afkomstig zijn van een fokbestand dat zelf bestaat uit rechtmatig verkregen dieren dan wel is verkregen voordat de bepalingen van de CITES Verordeningen daarop van toepassing werden. Deze eis was overigens ook al sinds 1998 neergelegd in artikel 13 van de Wet Budep en de daarop volgende Flora- en faunawet.
De voorzieningenrechter komt terecht tot het oordeel dat een overdrachtsverklaring geen bewijs van legale herkomst vormt, als deze overdrachtsverklaring geen informatie over de herkomst van het dier bevat. Een dergelijk document kan immers dienen om de keten van overdrachten inzichtelijk te maken, maar zegt in dit geval niets over de wijze waarop het individuele dier oorspronkelijk is verkregen of ingevoerd. Dit wordt niet anders wanneer een overdrachtsverklaring wordt gecombineerd met identificatiemiddelen zoals (open) pootringen of microchips.
Een open knijpring kan immers bij iedere vogel worden aangebracht, ongeacht herkomst, leeftijd of kweekstatus. De ring kan zonder noemenswaardige technische belemmeringen worden verwijderd en hergebruikt. Daarmee mist een open ring iedere bewijskracht ten aanzien van individuele gegevens zoals geboorte in gevangenschap of legale invoer. Een open ring is hooguit een administratief hulpmiddel voor de houder zelf en kan nooit gelden als bewijs van legale herkomst of van fok in gevangenschap.
Voor microchiptransponders geldt dat zij weliswaar algemeen zijn erkend als identificatiemiddel, maar dat hun bewijskracht eveneens beperkt is. Een microchip maakt het mogelijk een individueel dier te identificeren, maar levert geen informatie over de omstandigheden waaronder dat dier is verkregen. Een chip kan op vrijwel ieder moment in vrijwel ieder dier worden ingebracht en kan daarom niet aantonen dat een vogel in gevangenschap is geboren, noch dat hij rechtmatig is ingevoerd. Ook de aanwezigheid van een microchip kan dus niet dienen als bewijs van legale herkomst in de zin van de CITES-verordeningen.
Uitsluitend een niet-gemanipuleerde, naadloos gesloten pootring kan, indien deze de juiste diameter heeft en op het juiste moment is aangebracht, aannemelijk maken dat een vogel in gevangenschap is gefokt en geboren. Juist omdat een dergelijke ring alleen bij zeer jonge nestjongen kan worden aangebracht en niet zonder beschadiging kan worden verwijderd, onderscheidt zij zich wezenlijk van open ringen en microchips. Ook dan geldt overigens dat een gesloten ring op zichzelf nog niet bewijst dat het fokbestand rechtmatig is gevormd, maar zij kan wel bijdragen aan het aannemelijk maken van de kweekstatus van het individuele dier. In het voorliggende geval ontbrak een dergelijke gesloten ring, zodat reeds daarom geen conclusie kon worden getrokken over fok in gevangenschap.
Ook dat er sprake was van omvangrijke, legale invoer van kraagpapegaaien, brengt niet zonder meer met zich mee dat de legale herkomst van de betrokken twee kraagpapegaaien ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond. Het bestaan van legale handel in een soort sluit immers niet uit dat parallel daaraan illegale handel en smokkel plaatsvinden. Integendeel, juist bij soorten waarvoor een legale handelsstroom bestaat of heeft bestaan, is herhaaldelijk vastgesteld dat illegale vogels onder dekking van die legale handel in het Europese handelsverkeer terechtkomen.
Bij de kraagpapegaai komt daar nog bij dat de legale invoer in de Europese Unie sinds 2006 vrijwel geheel is stilgevallen. Bovendien blijkt uit de beschikbare handelsgegevens dat een groot deel van de eerder ingevoerde vogels afkomstig was uit het wild. Dit roept serieuze vragen op over de mogelijkheden voor structurele en grootschalige fok in gevangenschap binnen de Unie. Wanneer het uitgangsmateriaal grotendeels uit wildvang bestaat en nieuwe legale invoer ontbreekt, kan niet zonder meer worden aangenomen dat er duurzame fokbestanden zijn ontstaan die voldoen aan de eisen van de uitvoeringsverordening. Juist in een dergelijke context kan niet worden volstaan met vermoedens over kweek of afstamming, maar is concrete documentatie over de herkomst van ouderdieren en de opbouw van het fokbestand noodzakelijk.
De uitspraak laat zien dat de wettelijke eisen voor het aantonen van legale herkomst al sinds de jaren negentig ongewijzigd zijn gebleven. Tegelijkertijd maakt zij duidelijk hoe deze eisen in de praktijk moeten worden toegepast en hoe verschillende bewijsmiddelen daarbij worden gewaardeerd. De voorzieningenrechter verduidelijkt welke documenten en identificatiemiddelen ondersteunend kunnen zijn en waar hun grenzen liggen, en bevestigt dat steeds de herleidbaarheid van de herkomst van het individuele dier centraal staat. Daarmee biedt de uitspraak niet alleen een bevestiging van het bestaande juridische kader, maar ook praktische richting voor houders bij de beoordeling van legale herkomst onder de CITES regelgeving.
[1] Uitspraak van de voorzieningenrechter Rotterdam van 8 december 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:14639)


